Vraagwoorden in het Spaans

In deze categorie staan 9 woorden en 3 uitdrukkingen, van makkelijk (A1) naar moeilijker. Klik op de luidspreker om de uitspraak te horen, of op een woord voor meer voorbeeldzinnen en uitleg.

Woorden (9)

SpaansNederlandsUitspraak
cómoA1

¿Cómo vas al trabajo, en coche o en metro?

hoe
cuándoA1

¿Cuándo empieza la película?

wanneer
dóndeA1

¿Dónde está la estación de tren?

waar
quéA1

¿Qué quieres para cenar?

wat
quiénA1

¿Quién ha llamado por teléfono?

wie
adóndeA2

¿Adónde vas este fin de semana?

waarheen
cuálA2

¿Cuál prefieres, el rojo o el azul?

welke, wat
cuálesA2

De todas estas camisetas, ¿cuáles te gustan más?

welke, wat (meervoud)
quiénesA2

¿Quiénes vienen a la fiesta?

wie (meervoud)

Uitdrukkingen (3)

SpaansNederlandsUitspraak
¿Qué es esto?A1Wat is dit?
¿Cuál es su asiento?A2Wat is uw zitplaats?
¿Cuáles son los precios actuales?B1Wat zijn de huidige prijzen?

← Alle categorieën · Alle woorden

Leer elke week 7 nieuwe Spaanse woorden: gratis in je mailbox.

Updates ontvangen